Portret Jacques van Veen (1920-2007)

Er zijn weinig journalisten van wie men het kan zeggen maar de thans 86-jarige Jacques van Veen was niet zomaar een journalist die zich bezighield met de verslaglegging en becommentariëring van het strafrecht. Hij is erin geslaagd in de loop van zijn bijna 40-jarige carrière een instituut te worden.

Door Violet Cotterell

Van Veen verwierf zich met zijn gedetailleerde verslagen en kritische artikelen over het justitiële bedrijf een invloed vergelijkbaar met die van het hedendaagse medium televisie: waar de procesdeelnemers hem zagen verschijnen, pasten zij, als ware hij een camera, hun gedrag aan. Leden van het Openbaar Ministerie verscherpten hun toon, rechters gingen rechtop zitten, advocaten spraken vuriger woorden, zodra zij de markante, (later) witte kop van Van Veen in de rechtszaal ontwaarden.

Het waren aanvankelijk anderen zoals parketwachten die hem hierop attendeerden, maar ooit kon Van Veen dit verschijnsel ook zelf constateren. Toen hij onopgemerkt achter een hekje een strafproces in Den Bosch bijwoonde, leek alles gezapig te verlopen. Tot het moment waarop duidelijk werd dat hij in de zaal zat. Onmiddellijk, zo constateerde de doorgewinterde justitiejournalist, veranderde het procesbeeld en ondergingen de togadragers de bovenbeschreven metamorfose. “Je zag ze schrikken.”

Van Veen vestigde zijn naam in de journalistieke hoogtijdagen van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Zelf kon en kan hij anekdotes uit zijn werkzame leven met hoorbaar plezier vertellen, maar zijn betekenis voor het (straf)rechtelijk bedrijf stijgt ver uit boven het anekdotische. Van Veen was een exponent van zijn tijd, de roerige sixties, en maakte daar volop gebruik van. In zijn Amstelveense flat kijkt hij daar nu, anno 2007, met genoegen op terug. “Mijn carrière heb ik te danken gehad aan de geest van de jaren zestig,” constateert hij. “Ik moet eerlijk zeggen, zonder de jaren zestig was ik niet aan de bak gekomen. In die tijd werd alles maatschappelijk gezien overhoop gegooid. De jaren vijftig waren jansalie-jaren geweest, een tijd waarin de rechterlijke macht nog neerkeek op mensen van een lagere afkomst.”

Oud vrouwtje

De socialist Van Veen, toen in dienst van de verzetskrant Het Parool, voelde zich als een vis in het water van die nieuwe tijd en wilde zijn kritiek op het justitiële dédain graag kwijt. “Maar in mijn verslagen hoorde die kritiek niet thuis. Daarom overlegde ik met mijn hoofdredacteur Herman Sandberg en zei tegen hem dat ik daarvan een rubriek wilde maken.”

De sterk onafhankelijk ingestelde journalist en jurist Sandberg vond dat wel een aardig idee. Zo kwam het dat elke week in Het Parool, toen nog een landelijk verschijnend dagblad, de rubriek verscheen ‘De Rechten van de Mens, de Mensen van het Recht’. Van Veen nam daarin geen blad voor de mond en dat was in de aangeziene kringen van het recht ronduit wennen. Hij was ongetwijfeld een corrigerende factor geworden met een eigen sepotbeleid, zoals hij het zelf omschreef.

“In het begin kreeg ik woedende reacties. Kritiek was al erg maar dat ook nog eens van een man die niet eens jurist was. Sandberg heeft er wel moeite mee gehad. Toch vond hij het nuttig. “Ik was de eerste,” constateert Van Veen met enige trots, “die kritiek had op gedragingen van de rechterlijke macht. Zo gingen politierechter G. Nomes en officier van justitie J. Abspoel in het Maagdenhuis-proces eind jaren zestig wel eens te ver. Maar bij de politierechter in de provincie was het helemaal erg. Zo had een oud vrouwtje iets gestolen, een paar blikjes soep. “Ik zal nu nog geen gevangenisstraf opleggen maar ga nu maar gauw weg, anders bedenk ik me nog,” zei de rechter tegen haar. Maar hij kon zich niet eens meer bedenken en daarom vond ik het een misselijk staaltje bangmakerij. Toen ze wegliep struikelde ze van schrik. De rechter en de officier moesten erom lachen en de rechter zei: “Die steelt voorlopig niet meer.”

“Of ik schreef over een Franse Algerijn die moest voorkomen zonder dat er een tolk was. Ze zijn toen maar doorgegaan in het Nederlands ook al verstond die man er geen woord van. De rechter ging alleen maar wat harder in het Nederlands praten alsof de man te kennen had gegeven dat hij hardhorend was. De advocaat speelde het spel helemaal mee want toen de man een voorwaardelijke straf kreeg en de rechter, ook weer in het Nederlands, had gezegd dat hem dat dus nog boven zijn hoofd hing, ging de advocaat voor zijn cliënt staan en zwaaide met zijn vuisten boven het hoofd van de man en zei: ‘Dat hangt nog boven uw hoofd.’ Ook weer in luid Nederlands.”

Opbiechten

Anders dan men zou denken, kwam Jacques van Veen, geboren op 19 augustus 1920, uit een typisch VVD-nest. Vader was makelaar in peulen en fijne zaden te Rotterdam. Van Veen had een bloedhekel aan de VVD en lag nogal eens met zijn familie over de liberale beginselen overhoop. Geen wonder dat hij in 1946 als jongste verslaggever bij de socialistische krant Het Vrije Volk (HVV) in Rotterdam begon. “Dat was toen, met meer dan 300.000 abonnees en 33 edities, de grootste krant van Nederland. Dan werd je naar de politierechter gestuurd in het oude gebouw aan de Noordsingel en geacht met een leuk stukje terug te komen. De rechters daar waren nog van de oude stempel en vermaakten zich ten koste van de verdachte. Dat vonden ze geestig en ze kregen daarmee de lachers op hun hand. Het is heel erg dat ik het moet opbiechten maar soms maakte ik het in de krant nog ‘leuker’.” Het leverde hem waarderende opmerkingen op die hij nu, na ruim zestig jaar, wat gegeneerd wegwuift.

“Ik ging daarna naar de redactie van Het Vrije Volk in Haarlem waar ik twee jaar heb gewerkt. Toen naar Dordrecht, ook een eenmanspost. Daarna in Utrecht als derde man in een viermans-redactie. Daar heb ik het vak geleerd.” Het was de tijd waarin een grote krant als HVV nog kopbladen had in diverse steden. “Ik was toen over de dertig en getrouwd. Mijn vrouw was apothekersassistente.” Van Veen had Dicky Goudriaan leren kennen in 1949 in het Dordtse cafe waar zij tussen de middag lunchte en hij zijn stukjes doorbelde naar de krant. Van perskamers of mobiele telefoons had toen nog niemand gehoord.

“In 1953 kwam ik op de redactie bij HVV aan het Hekelveld in Amsterdam. Journalistiek Nederland was in die tijd nog sterk verzuild. Kranten waren allemaal gezagsgetrouw en hadden een pijler achter zich. Zo had HVV een sterke band met de socialisten; ik herinner me nog dat de hoofdredacteur Voskuil regelmatig een koerier stuurde naar Drees om zijn hoofdartikel te laten lezen! Er was daar een enorme redactie van 22 man. Er was geen prettige sfeer van socialisten onderling. Bij mij ging het kriebelen en in 1957 ben ik overgestapt naar Het Parool. Dat was een onafhankelijke krant met een links gezicht.” Bij HVV waren de verhoudingen zo verstoord dat hij daar niet eens afscheid nam. “Ze namen het mij zeer kwalijk dat ik naar Het Parool overstapte. Ze hadden nog liever gezien dat ik bij De Telegraaf ging werken.” Dat was veelzeggend gezien het oorlogsverleden van deze krant.

Toen Van Veen bij Het Parool als verslaggever weer eens naar de rechtbank werd gestuurd, bleek dit werk hem goed te bevallen. “Daarna werd ik vaste rechtbankverslaggever. Als rechtbankman ging ik het land door.”

Megaproces

Er was in die tijd een vaste ploeg rechtbankverslaggevers, die als een soort rondreizend circus door het land trok naar rechtbanken en hoven, bleef eten en slapen in plaatselijke hotels en per editie aangepaste verslagen doorbelde naar het thuisfront. Radio en televisie hielden zich toen nog verre van het strafrechtelijke bedrijf. Het publiek moest het doen met tekeningen uit de rechtszaal en geschreven verslagen.

Voor Van Veen begonnen gouden tijden. Er werd verslag gedaan van roemruchte moordzaken zoals die van de gifmengster Bemmelse Annie, de Vlaamse Reus uit Limburg, de gebroeders Hennie van de Baarnse moordzaak en de Utrechtse ladykiller en drievoudig moordenaar Hans van Zon. Ze waren de Grote Vier. Erik Koch van de Telegraaf, Henk Uilenbroek van de Volkskrant, Han Lammers voor het Algemeen Dagblad en Van Veen voor Het Parool. Frans van Klaveren schreef over dit viertal: “s Avonds gaat men gezamenlijk eten onder de bezielende leiding van Jacques van Veen van Het Parool, om die hoedanigheid de reisleider genoemd.”

In die tijd had Het Parool vier of vijf edities per dag en moest Van Veen voor elke editie zijn verslag actualiseren. De rechtbankverslaggeving was immens populair bij het publiek en er werd in de kranten veel ruimte voor vrijgemaakt. “In de zaak-Boudewijn Hennie schreef ik pagina’s vol, hele dialogen kon ik daarop weergeven. Dialogen zijn zulke ruimtevreters, dat zou nu niet meer mogelijk zijn.” En zo ging het ook met de zaak-Hans van Zon. “Bij die zaak was er sensatie. De verdachte ging zo te keer dat hij de zaal uit werd gesleept.” Van Veens verslaggeving in dat megaproces leverde hem in 1970 de Prijs voor de Dagbladjournalistiek op. Ook het fameuze strafproces tegen Menten versloeg Van Veen voor Het Parool. Uit die tijd stamt zijn intensieve samenwerking met Frank van de Pol van het ANP. “Die was zeer goed ingevoerd in kringen van justitie en politie. Hij was een goede vriend geworden. Helaas is hij kort na zijn pensionering overleden.”

Echt naam maakte Van Veen met zijn kritische columns. “Ik schreef een keer een heel hard stuk tegen de president van de rechtbank Almelo, Talsma. Ik merkte toen op dat de man zijn dossier niet kende waarna Talsma dreigde met een klacht bij de Raad voor de Journalistiek. Daar is Toos Faber tussen gesprongen en gedrieën hebben we toen in Den Haag een stroef gesprek gehad. Dat heeft ertoe geleid dat de klacht is ingetrokken.”

Een van de stokpaardjes van Van Veen was gelijkwaardigheid van het Openbaar Ministerie en de advocatuur in de zittingzaal. “Ik vind die niet goed tot zijn recht komen en ben er altijd op tegen geweest dat de officier van justitie op het podium zit. Ik heb daar veel over geschreven en altijd gesteld: de officier van het podium óf de advocaat ook op het podium. Helaas heb ik de officier niet van het podium gekregen, maar wel mede bewerkstelligd dat de rechter en de officier aan gescheiden tafels zitten.”

Het dragen van toga’s door de professionele procesdeelnemers vond Van Veen niet nodig. “Waarom moet iedereen een toga met bef aan? Een colbert zou wat mij betreft ook goed zijn. Anita Leeser Gassan (voormalig vice-president in Amsterdam – red.) zei tegen mij: “Ik ben het in veel dingen met je eens, maar de toga schrijf je me niet van het lijf.”

Roddels

Het waren de tijden van de eerbiedwaardige, veelal bakstenen paleizen van justitie, die in de centra van de steden stonden en waar iedereen in en uit kon lopen. In de lunchpauze kon je een broodje eten naast de tafel waar de magistratuur de laatste roddels zat te bespreken. Aan de grimmigheid van elektronische barrières, pasjesregelingen, veiligheidspoortjes en zwaar bewapend bewakingspersoneel met kogelvrije vesten werd toen helemaal nog niet gedacht. “Als je een rechter of officier wilde spreken, wist je waar je zijn moest. De huidige hoofdofficier van justitie in Amsterdam, Leo de Wit, was toen nog persofficier en hij vroeg mij eens waarom ik hem zo weinig belde voor informatie. Ik zei hem dat ik daar geen behoefte aan had, en dat ik, als ik iets te vragen had, dat direct deed aan de behandelend officier. Nu kan dat niet meer, ze zijn allemaal afgeschermd. Maar in die tijd waren rechters nog bereikbaar. Je kwam ze op de gang tegen en kon ze altijd benaderen. Of je liep even om, klopte op hun kamer en vroeg wat je te vragen had.”

Van Veens rubriek begon op zeker moment last te krijgen van haar eigen succes. “Er kwamen teveel klachten binnen en de hoofdredactie ging censuur toepassen.” Dat weigerde Van Veen te accepteren en hij hield ermee op. Pas toen de hoofdredactie later overstag ging, kon hij zijn columns voortzetten en hij deed dat met evenveel plezier als voorheen.

Zijn eerste boek verscheen in 1971 en was getiteld ‘De Rechten van de mens, de mensen van het recht‘. Het was in korte tijd uitverkocht. Wie het nu doorleest, wordt getroffen door het achterhaalde karakter van het bijna dorpse vervolgingsbeleid toentertijd. Zo werd het blad Candy strafrechtelijk vervolgd wegens aanstotelijkheid voor de eerbaarheid en leverde dat een diepgaande discussie op over ‘vieze blaadjes en plaatjes’.

Er volgden nog twee boeken: ‘Democratisering van het recht?’ in 1977 met de intrigerende ondertitel ‘De werkelijkheid in de paleizen van justitie’, en in 1988 ‘Journalist in de rechtszaal’. Het laatste boek is een bundeling van Van Veens stukken na de gedwongen radiostilte toen hij met de VUT was. Opmerkelijk is dat Van Veen ook in latere tijden nog heel wat laatdunkendheid en misslagen bij de rechterlijke macht kon signaleren. Ook de rol van de psychiater in de strafrechtspleging, het vreemdelingenrecht en de militaire rechtspraak kwamen uitgebreid aan de beurt.

“In juni 1982 ben ik met de VUT gegaan. Ik was toen 62. Je kreeg toen nog je volle salaris maar je mocht niet werken tot je 65ste.” Van Veen kreeg een groots afscheid. Een zaligverklaring, zei wijlen officier van justitie J. Abspoel. Hij sprak de scheidend journalist huldigend toe in een geënsceneerde terechtzitting waarin de officier dit keer de rol van advocaat van de duivel op zich had genomen. Verdediger was drs. H. van Run die ook al, zij het met verfrissende ironie, lovende woorden sprak. Bij die gelegenheid werd de Jacques van Veen-prijs ingesteld door een stichting onder voorzitterschap van de voormalige president van de Amsterdamse rechtbank, mr. B. Asscher. Van Veen werd erevoorzitter.

“Ze zijn waarschijnlijk blij dat je oplazert met je eeuwige kritiek,” zei een rechter tegen hem bij de grootse huldiging. Waarop een raadsheer opmerkte: “Natuurlijk had u niet altijd gelijk maar heel vaak toch wel. U schilderde ons als klootzakken zoals wij daar zaten op dat podium. Nee, dat heeft u niet letterlijk zo geschreven, maar u dacht dat wel!”

Uunderdog

Van Veen zat zich in de VUT-periode te verbijten. “Maar nadat ik die drie jaar volledig had uitgezeten, stelde ik mijzelf in voorlopige vrijheid,” zei hij in 1998 tegen een collega. Hij ging weer schrijven. Voor Vrij Nederland en voor het Algemeen Dagblad. “Ik kon schrijven wat ik wilde. Voor het AD schreef ik de column ‘Paleis van Justitie’ en daar heb ik veel politierechterzaken gedaan. Voor Vrij Nederland schreef ik grotere verslagen. In die tijd ging ik gewoon een dagje naar Den Haag. Daar zijn in het paleis van justitie de meeste zalen en is de pakkans het grootst.” Bovendien werd Van Veen geïntrigeerd door bepaalde hoger beroepzaken uit Zeeland, die bij het Haagse hof terechtkwamen: bij de Middelburgse rechtbank zetelde namelijk een oude Amsterdamse bekende, de omstreden politierechter mr. G. Nomes, welbekend van de Maagdenhuisprocessen.”

Ik ben doorgegaan tot ik 77 was, dat was voor VN tot 1997. Bij het AD was ik al in 1992 afgehaakt.” Opmerkelijk is dat Van Veen weinig kritisch was jegens advocaten. “Ik steunde de advocaten die opkwamen voor de underdog. Ik kan je zo tien namen noemen van advocaten die ik heb gepushed. Zo heb ik Cees Korvinus gevolgd en veel over hem geschreven. Ik herinner me nog dat hij als jonge advocaat een rode broek onder zijn toga droeg en dat ik dacht: ‘Die man, dat wordt nog wat’.” Ook Nico Schipper, de huidige president van het gerechtshof in Amsterdam, heb ik als beginnend advocaat bij het militair gerechtshof in Den Haag zien optreden. Beiden zag ik toen al als veelbelovend en ik heb uiteindelijk gelijk gekregen.”

Heeft Jacques van Veen zich in zijn loopbaan schuldig gemaakt aan contempt of court? Zijn toenmalige collega Han Lammers beantwoordde die vraag al in 1965 door deze te bestempelen als ‘een curieus misverstand’. Lammers merkte nog op: “Veel journalisten verkeren in de veronderstelling dat het leveren van kritiek op de rechtbanken hen gevaarlijk dicht in de buurt van het contempt of court brengt. Zij zijn daarin gestaafd door uitlatingen van magistraten en vakspecialisten gelijkelijk.”

“Absoluut niet,” zegt Van Veen anno 2007, gevraagd of hij zich ooit heeft schuldig gemaakt aan contempt of court. “Dat heeft nooit iemand tegen me gezegd, ook rechters niet. Je bent als journalist geen procesdeelnemer. Als journalist had ik functionele kritiek. Nou, misschien is die kritiek wel eens op het randje geweest, maar ik heb dat verwijt nooit gekregen.”

In elk geval heeft Van Veen het als zijn journalistieke taak gezien de magistratuur een spiegel voor te houden. En ontegenzeggelijk hebben de magistraten het geen pretje gevonden maar strekt het hun tot eer dat zij er desondanks hun voordeel mee hebben gedaan.

Amsterdam, 27 maart 2007