Persprijs 2007

Blij met publiciteit, bang voor de media?

Toespraak François Kristen bij de uitreiking van de Persprijs Jacques van Veen op 4 oktober 2007 in de Industrieele Groote Club te Amsterdam.

Geachte dames en heren,

In deze voordracht zal ik resultaten presenteren van een rechtspraakonderzoek naar de mogelijke in-vloed van publiciteit die een strafzaak ten deel is gevallen op de beslissing van de strafrechter inzake het opleggen van straffen en/of maatregelen in die strafzaak. De titel van mijn voordracht is geïnspi-reerd door een resultaat van het onderzoek en luidt: ‘Blij met publiciteit, bang voor de media?’.  In het onderzoek heb ik mij geconcentreerd op de vraag of publiciteit in een strafzaak op enigerlei wijze doorwerkt in de straftoemetingsbeslissing van de strafrechter voor zover hij zich daarvan rekenschap heeft gegeven in diens vonnis. Deze onderzoeksvraag is derhalve neutraler en breder dan in de uitno-diging staat vermeld.

Aanleiding

De aanleiding voor het onderzoek is gelegen in de uitreiking van de Jacques van Veen-persprijs. Zoals wij allemaal weten, heeft Jacques van Veen vele rechtbankverslagen geschreven. Daarmee heeft hij publiciteit gegeven aan de behandeling van een concrete strafzaak. Een andere vorm van publiciteit is die wanneer het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan een latere strafzaak aandacht van de media krijgt, bijvoorbeeld omdat die feiten verontrustend zijn of tot de verbeelding spreken. Hier is vaak nog slechts sprake van een verdenking van het begaan van een of meer strafbare feiten door een of meer personen en vaak zijn politie en justitie net aangevangen met het opsporingsonderzoek. In media ple-gen dan de feiten – voor zover bekend – te worden weergegeven, al dan niet aangevuld met het uiten van vermoedens en speculaties over het werkelijk gebeurde en degene die bij de feiten betrokken is, vaak de veronderstelde dader. Dergelijke media-aandacht kan grote proporties aannemen en doorlopen in publiciteit waarmee de behandeling van een strafzaak door de strafrechter gepaard kan gaan. Dat brengt mij bij de strafzaken die mij op het spoor hebben gezet van een onderzoek naar de invloed van publiciteit op de straftoemeting. Dat zijn enkele strafzaken op financieel strafrechtelijk terrein, zoals verdenkingen van en veroordelingen wegens misbruik van voorwetenschap in de aandelenhandel. De media-aandacht voor dergelijke zaken – we kunnen ons ongetwijfeld allemaal nog de zaak-Boonstra  herinneren of de Ahold-zaak  – heeft in een aantal gevallen een plaats gevonden in de motivering van door de rechtbank opgelegde strafrechtelijke sancties. De rechtbank gaf er blijk van dat de gevolgen van publiciteit voor de verdachte mee dienen te worden genomen bij het bepalen van de op te leggen straffen en/of maatregelen. In deze financieel strafrechtelijke zaken zag de strafrechter het steeds als een strafverminderingsgrond.
Deze observatie resulteerde in de onderzoeksvraag naar de invloed van publiciteit op de straftoe-meting. Om daar iets zinnigs over te kunnen zeggen, moet meer inzicht bestaan in het aantal gevallen waarin publiciteit een rol heeft gespeeld bij het bepalen van de strafmaat, welke die rol is geweest (po-sitief of negatief), wat voor soort strafzaken het betreft etc. Dat heeft Pagano Mirani 17 jaar geleden ook als aanbeveling meegegeven ter afsluiting van zijn interessante verkennende notities over de in-vloed van publiciteit op de straftoemeting naar aanleiding van twee, destijds spraakmakende strafza-ken.  Het bracht mij tot een wat uitgebreider onderzoek van rechtspraak.

Wat is onderzocht?

Voor een periode van iets meer dan vijf jaar – om precies te zijn van 1 januari 2002 tot 1 juni 2007 – is in de databanken van de Raad voor de Rechtspraak, Rechtspraak.nl en die van Opmaat voor de Nieuwsbrief Strafrecht gezocht naar uitspraken van rechtbanken waar in de uitspraak op enigerlei wij-ze wordt gerefereerd aan publiciteit die aan de desbetreffende strafzaak is gegeven. Het gevolg is dat er uitspraken zijn gevonden waarin rechtbanken in hun vonnissen hebben geëxpliciteerd dat de straf-zaak was omgeven met publiciteit en al dan niet hebben aangegeven of die publiciteit van invloed is geweest op een door de rechtbank te nemen beslissing.
Hier vloeit een belangrijke beperking van het onderzoek uit voort. Het betekent namelijk ook dat niet zijn gevonden de strafzaken die in de publiciteit zijn gekomen, maar waarbij de rechtbank niet in het vonnis heeft vermeld dat zij al dan niet met deze publiciteit rekening heeft gehouden. Zo komt de strafzaak van Volkert van der G. niet naar voren, omdat de rechtbank ondanks de onmiskenbare me-dia-aandacht voorafgaande en tijdens de behandeling van deze strafzaak niet in haar vonnis rept over deze publiciteit en of dat op enigerlei wijze heeft doorgewerkt in de straftoemetingsbeslissing. De rechtbank beperkt zich in de straftoemeting tot de vaststelling dat ‘[H]et feit heeft in zijn algemeen-heid de rechtsorde buitengewoon ernstig geschokt.’  Mogelijk laat de rechtbank de publiciteit door-klinken in de mate waarin de rechtsorde is geschokt, maar zeker weten doen we niet. Idealiter zouden uitspraken waarin publiciteit mogelijk een rol heeft gespeeld bij de straftoemetingsbeslissing moeten worden gelicht uit de rechtspraakdatabanken teneinde te kunnen bepalen in hoeverre de wel gevonden zaken representatief zijn. Slechts dan kan worden vastgesteld wat de verhouding is tussen de categorie van gevallen waarin de publiciteit blijkens de uitspraak heeft doorgewerkt in de straftoemeting en de categorie van gevallen waarin publiciteit niet heeft doorgewerkt respectievelijk wel van invloed is ge-weest, maar dat niet blijkt uit de uitspraak.

Een tweede beperking van het onderzoek is de toespitsing op de straftoemetingsbeslissing, de vraag welke straffen en/of maatregelen moeten worden opgelegd nu een rechtbank tot een veroorde-ling komt. Publiciteit kan namelijk ook van betekenis zijn voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn strafvervolging; de verdediging voert dan bijvoorbeeld aan dat de publieke opinie door het openbaar ministerie is misleid en er reputatieschade is aangericht, hetgeen zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.  Dergelijke gevallen zijn buiten het onderzoek ge-houden, tenzij de rechtbank het verweer heeft verworpen en de kwestie van de publiciteit doorverwijst naar de straftoemetingsbeslissing.
Een derde belangrijke beperking vloeit voort uit de onderzochte bronnen. De keuze voor het door-zoeken van de databanken Rechtspraak.nl en Nieuwsbrief Strafrecht is ingegeven door de volgende overwegingen. Allereerst gaat het om elektronische databanken die betrekkelijk eenvoudig kunnen worden onderzocht op relevante rechtspraak. Beide databanken kennen een zoekfunctie waarmee de volledige tekst van uitspraken met trefwoorden kan worden doorzocht. Ten tweede omvat Recht-spraak.nl het leeuwendeel van alle gepubliceerde uitspraken, namelijk een omvangrijk contingent van uitspraken dat alleen op Rechtspraak.nl wordt gepubliceerd, plus ongeveer alle uitspraken die op RO-breed worden gepubliceerd, plus een relevant deel van de uitspraken die door uitgevers in hun tijd-schriften worden opgenomen.  Nieuwsbrief Strafrecht heeft een kleine toegevoegde waarde doordat daarin ook wel eens rechtbankuitspraken worden gepubliceerd die niet op Rechtspraak.nl worden ge-plaatst. In de Nederlandse Jurisprudentie worden slechts sporadisch uitspraken van rechtbanken gepu-bliceerd en voor zover dat wel het geval is, zijn die uitspraken ook op Rechtspraak.nl gepubliceerd.

Gegeven het primaat van Rechtspraak.nl voor dit onderzoek is voor het bepalen van de te bestrij-ken periode rekening gehouden met de wijze waarop de databank van Rechtspraak.nl wordt voorzien van uitspraken. In beginsel zijn uitspraken van strafrechters vanaf december 1999 opgenomen.  De ervaring leert dat uitspraken echter vooral de laatste jaren op structurele basis op rechtspraak.nl wor-den geplaatst.  Tegenwoordig wordt bij rechtbanken op steeds de vraag onder ogen gezien of de des-betreffende strafzaak voor publicatie op Rechtspraak.nl in aanmerking komt.
Het doorzoeken van Rechtspraak.nl en Nieuwsbrief Strafrecht impliceert dat alleen gepubliceerde rechtspraak kan worden gevonden. Dat is slechts een fractie van alle vonnissen die de strafsectoren van de rechtbanken wijzen. Zij hebben in 2004 zo’n 230.000 uitspraken gedaan, terwijl in datzelfde jaar ruim 14.000 uitspraken van alle rechterlijke instanties aan Rechtspraak.nl zijn toegevoegd.  Niet-temin lijkt mij dat het doorzoeken van Rechtspraak.nl een hanteerbare onderzoeksstrategie is. Het komt mij redelijk voor uit te gaan van de aanname dat in zaken waarin publiciteit een rol heeft ge-speeld, er zodanige belangen in het spel zijn geweest dat de uitspraak ter publicatie is aangeboden aan Rechtspraak.nl. Bovendien laat de rechterlijke macht door publicatie van de uitspraak zien dat er recht is gedaan in de zaak.
Het voorgaande neemt niet weg dat de meest zuivere onderzoeksmethode zou zijn alle berichten in de media over een verdenking van het begaan van een strafbaar feit al dan niet gevolgd door een straf-zaak op te sporen, na te gaan of en zo ja, welke uitspraak daarbij hoort en vervolgens te beoordelen of en zo ja, uit de uitspraak kan worden opgemaakt of de publiciteit op enigerlei wijze van invloed is ge-weest op de straftoemetingsbeslissing. U zult begrijpen dat dit geen geringe opgave is, voor zover zij al haalbaar zou zijn.

Hoe is onderzocht?

Ter zake van de vraag hoe is onderzocht past eerst een woord van dank aan de student-assistent van de leerstoelgroep Strafrechtswetenschappen van de UvA, Dirk van Leeuwen. Hij is degene geweest die de databanken heeft bevraagd en de eerste selectie heeft gemaakt.

Daarbij is de volgende methode gebruikt. Na het vaststellen van een gemeenschappelijke set van trefwoorden die duiden op publiciteit  zijn deze trefwoorden losgelaten op de databanken Recht-spraak.nl en Nieuwsbrief Strafrecht. Het zoekgebied was beperkt tot uitspraken van de strafsector van rechtbanken over de periode van 1 januari 2002 tot 1 juni 2007. Op de namen van kranten na zijn alle trefwoorden zonder beperkingen door ‘bolean operators’ ingevuld in de zoekmachine van beide data-banken. Dat leidde ertoe dat alle woordcombinaties waarvan het trefwoord deel kan uitmaken als tref-fer worden gelicht uit de databank. Zo levert het trefwoord ‘pers’ ook uitspraken op waarin woorden als persbericht en persoon of personen voorkomen. Vandaar dat alle trefwoorden tezamen resulteerden in 466 treffers. Overigens, mij is gebleken dat de zoekmachine van Rechtspraak.nl niet op deze ge-schetste wijze werkte bij het trefwoord ‘media’. Uitspraken waarin alleen de term ‘media-aandacht’ voorkomt, werden niet gevonden met ‘media’ als trefwoord, waar men dat wel zou verwachten. Om deze uitspraken boven water te krijgen, moet het trefwoord ‘media-aandacht’ worden ingevoerd. Ik signaleer dit even voor de gebruikers van Rechtspraak.nl.
Vervolgens zijn alle gevonden uitspraken bekeken op relevantie voor het onderzoek. Dat wil zeg-gen dat alle uitspraken waarin het trefwoord een andere term raakt dan verband houdt met publiciteit zijn gedeselecteerd. Datzelfde geldt voor de uitspraken waarin de publiciteit zag op een andere beslis-sing dan de straftoemetingsbeslissing. Alle overgebleven uitspraken zijn in het onderzoek betrokken.
Hier is alvast vermeldenswaard dat de trefwoorden ‘publiciteit’ en ‘media’ veruit de meeste rele-vante treffers opleveren. Wat opvalt – en nu licht ik een tipje van de sluier op – is dat beide zoekter-men grosso modo volledig anders te classificeren uitspraken opleveren. Waar ‘publiciteit’ als term voorkomt in strafzaken waarin de publiciteit wordt beschouwd als nadelig voor verdachte en mitsdien vooral als een strafmitigerende factor wordt gehanteerd, levert ‘media’ vaak het tegenovergestelde op. De rechtbanken plegen te wijzen naar de aandacht voor een strafzaak in de media om de ernst van het feit zwaarder aan te zetten, hetgeen resulteert in een strafverhogende factor.

De overgebleven uitspraken zijn door mij gelezen en geclassificeerd aan de hand van de volgende criteria:

  • Is de verdachte een natuurlijke persoon of een rechtspersoon?
  • Voor welke strafbare feiten is veroordeeld? – Het gaat immers om de straftoemetingsbeslissing;
  • Wie brengt de publiciteit in het strafproces? De verdediging, de officier van justitie, de rechtbank of niet bekend?
  • Valt uit de uitspraak op te maken wie de publiciteit heeft gezocht? Zijn het de media die autonoom aandacht hebben gevraagd voor de zaak? Heeft de verdediging of het openbaar ministerie publici-teit gezocht?
  • Valt uit de uitspraak op te maken waarom er publiciteit aan de strafzaak is gegeven? Daarbij heb ik twee gevallen onderscheiden: 1) de strafbare feiten waarvoor wordt vervolgd en 2) de persoon van de verdachte;
  • Valt uit de uitspraak op te maken wat de invloed van de publiciteit op de straftoemeting is ge-weest, waarbij een onderverdeling is gemaakt tussen de categorieën: i) strafverminderend, ii) strafverzwarend, iii) geen invloed en iv) niet bekend.

De aldus verkregen classificatie ligt aan de basis aan de uitkomsten van het onderzoek. De classificatie verschaft meteen inzicht in de aantallen zaken per categorie. Hier moet nog een belangrijke opmerking worden gemaakt. Vooralsnog zijn in beginsel alleen de strafzaken als zodanig in de registratie betrok-ken. Dat betekent dat zaken tegen medeverdachten niet als een afzonderlijke zaak zijn geteld. Voor deze werkwijze pleit dat in de meeste gevallen de overwegingen ter zake van de publiciteit in de zaak van de medeverdachte gelijkluidend zijn. Dat ligt ook voor de hand. Het feitencomplex dat aan de strafzaken ten grondslag ligt, is in de publiciteit gekomen. Deze publiciteit zal veelal alle medever-dachten raken. Het gevolg van deze keuze is dat de registratie van het aantal uitspraken conservatief is. Worden de uitspraken in de zaak van de medeverdachten meegenomen, dan nemen de aantallen toe. Ik sprak evenwel over ‘in beginsel’. De uitspraken in zaken van medeverdachten die op het punt van pu-bliciteit afwijken, zijn wel meegeteld als afzonderlijke zaken.
Aangezien het onderzoek van rechtspraak betreft, heb ik er van afgezien interviews met rechters, advocaten, officieren van justitie en anderen te houden. Dat vergt een specifieke, sociaalwetenschap-pelijke expertise alsook een behoorlijke tijdsinvestering. Bovendien is een dergelijk onderzoek, zij het steekproefsgewijs en al weer 15 jaar geleden, verricht door Wesseling.

Wat zijn nu de uitkomsten van het onderzoek?

Alvorens in te gaan op de bevindingen van het onderzoek, breng ik onder uw aandacht dat de zojuist geschetste beperkingen van het onderzoek zoals die voortvloeien uit wat en hoe is onderzocht, maken dat de onderzoeksresultaten slechts indicatief zijn. Het onderzoek is niet representatief voor de wijze waarop rechtbanken publiciteit in strafzaken al dan niet laten meewegen bij het bepalen van de op te leggen straffen en/of maatregelen. De onderzoeksbevindingen geven alleen een beeld van de mogelij-ke invloed van publiciteit op de straftoemeting. Dit belangrijke voorbehoud dient te worden gemaakt, ook al weet ik uit eigen ervaring dat de genuanceerde weergave van standpunten zoals juristen dat ple-gen te doen, bij journalisten tot ergernis kan leiden. Journalisten zijn soms op zoek naar een stevige stellingname die het nieuwsitem kunnen aankleden of zelfs om aandacht vragen. Een ‘indien dit, dan dat’-redenering, vaak gevolgd door een ‘tenzij’, is niet daartoe geschikt. Geachte aanwezigen, het spijt me, maar ook ik moest de bevindingen nuanceren.
In de onderzochte periode zijn 70 uitspraken gevonden waarbij in de uitspraak, in de meeste geval-len de strafmotivering, gewezen is op de publiciteit waarmee de strafzaak is omgeven. Binnen dit be-stand aan uitspraken komen de navolgende bevindingen naar voren.

Rechtbank Amsterdam en Rechtbank Alkmaar
De rechtbanken van Amsterdam en Alkmaar zijn oververtegenwoordigd, terwijl sommige rechtbanken niet (Assen, Dordrecht, Maastricht) of slechts één of twee keer (Almelo, Den Haag, Groningen, Leeu-warden) in hun strafmotivering (of elders in de uitspraak) refereren aan publiciteit. Dat de Rechtbank Amsterdam zo’n 31% van de uitspraken voor haar rekening neemt ligt om twee redenen voor de hand. Ten eerste gaat het om de grootste rechtbank met de meeste uitspraken per jaar – in 2004 ruim 32.000. Ten tweede is deze rechtbank aangewezen om de zogenaamde beursfraude af te doen en die zaken scoren relatief hoog ter zake van de publiciteit. Het wordt interessant wanneer we kijken naar de Rechtbank Alkmaar. Deze kleine rechtbank is goed voor 6% van het aantal gevallen en eindigt daar-mee boven de grote rechtbanken van Rotterdam en Den Haag en ex aequo met de rechtbanken van Arnhem, Den Bosch en Utrecht. Is dit toeval of zegt dit iets over het beleid van rechtbanken inzake het publiceren van vonnissen op Rechtspraak.nl? Ik werp de vraag op zonder haar te kunnen beantwoor-den.

Persoon van de verdachte
In het overgrote deel van de strafzaken zijn natuurlijke personen verdachte. In slechts zo’n 10% van de strafzaken wordt een rechtspersoon of daarmee gelijk te stellen ondernemingsvorm berecht.
In het overgrote deel van de strafzaken handelen verdachten in een bepaalde kwaliteit, te weten 77% van het aantal gevonden uitspraken. Die kwaliteit loopt uiteen; het varieert van functionarissen uit het openbaar bestuur, directeuren van commerciële bedrijven tot artsen en leraren. Hier worden eerdere bevindingen van Van de Pol ter zake van rechtbankverslaggeving bevestigd.

Soorten delicten
Het merendeel van de strafzaken betreft commune strafbare feiten, waarbij het levensdelicten en ze-dendelicten relatief vaak voorkomen. De naast grote categorie van delicten betreft 13% aan economi-sche delicten, waarbinnen het zwaartepunt ligt bij beursfraude (met name misbruik van voorweten-schap), te weten in tweederde van het aantal economische strafzaken.

Publiciteit
Uit de uitspraken valt in driekwart van het aantal gevallen niet op te maken welke procesdeelnemer in het strafproces aandacht heeft gevraagd voor publiciteit die aan een strafzaak is gegeven. Vermoede-lijk heeft in de meeste gevallen de verdediging gewezen op de publiciteit en de gevolgen daarvan voor de verdachte. Uit een recente uitspraak van de Rechtbank Leeuwarden lijkt te volgen dat de verdedi-ging daarbij moet onderbouwen wat de schade is die verdachte zou hebben geleden door de publiciteit, wil de rechtbank de publiciteit laten meewegen bij de straftoemeting.
De aard van de publiciteit in de zin van het soort medium en het verspreidingsbereik daarvan (lo-caal of landelijk) en de soort aandacht (bijvoorbeeld de teneur van de berichtgeving) blijkt hoege-naamd niet uit de uitspraken. Terwijl dat wel van invloed kan zijn op de impact van de publiciteit op verdachte.  Ik kan mij zo voorstellen dat de aandacht in locale media zoals de plaatselijke krant of omroep in een strafzaak als die van de pyromaan die in de Achterhoek diverse schuren in brand steekt bijdraagt aan de locale onrust waar de rechtbank melding van maakt.  Voor Nederland als zodanig hoeft dit nog geen opzienbarende strafzaak te zijn. Dat is wel het geval bij ernstige feiten als de ont-voering en de herhaaldelijke verkrachting van een 13-jarig meisje te Eibergen  en de brand in café ’t Hemeltje te Volendam ; affaires die ruimschoots de landelijke media hebben beheerst.
In een overwegend deel van de gevallen is publiciteit niet door procesdeelnemers gezocht, maar heeft de strafzaak autonoom aandacht van de media getrokken. Daarbij blijken twee factoren van be-lang te zijn: 1) het feitencomplex en de delicten waarvoor is vervolgd en 2) de persoon van de verdachte.

Invloed van publiciteit op de straftoemeting in de gevonden uitspraken
Publiciteit levert in een substantieel deel van het aantal uitspraken een strafverminderende factor op, namelijk in 58% van de gevallen. Daarmee is vooralsnog weerlegd het vermoeden van Pagano Mirani dat publiciteit meestal niet als grond voor strafreductie wordt gehanteerd.  Het bevestigt voorts de steekproef van Wesseling die 19 rechters en 19 officieren van justitie interviewde.
In een relevant deel van het aantal uitspraken leidt publiciteit tot een strafverhogende factor, name-lijk in 20% van de gevallen. Dat kan bijvoorbeeld geschieden door het aanzetten van de ernst van feit door te wijzen op de geschokte rechtsorde. Zo oordeelde de Rechtbank Breda dat een moord waarbij het lijk verzwaard met kettingen in het water is gegooid, blijkens de grote belangstelling in de media de rechtsorde in ernstige mate heeft geschokt.  In een significant deel van het aantal uitspraken valt uit de strafmotivering niet op te maken in welke zin de rechtbank de publiciteit heeft laten meewegen bij het bepalen van de strafmaat, namelijk in 13% van de gevallen. In een klein deel van het aantal uit-spraken wordt duidelijk dat de publiciteit niet van invloed is geweest op de straftoemeting, namelijk in 9% van de gevallen.

Binnen bovenstaande indeling kunnen grosso modo de volgende vuistregels worden gehanteerd:

  • wanneer verdachte zelf publiciteit zoekt, dan strafverzwarend;
  • overkomt de publiciteit de verdachte, dan strafmitigerend.

Van het eerste geval levert een uitspraak in de zaak van Anja Joos een treffend voorbeeld. De recht-bank overweegt: ‘Integendeel, door verscheidene verdachten is bewust de publiciteit gezocht om zich-zelf als slachtoffer van justitie te poneren en om [slachtoffer] als minderwaardig af te schilderen. De rechtbank verwijst daarvoor met name naar het artikel in de Volkskrant van 11 maart 2004 met als kop “Die vrouw [slachtoffer] had aids en zo”.  Van de strafverminderende werking van publiciteit die verdachte is overkomen, kunnen diverse voorbeelden worden gegeven. Zo wijdt de Rechtbank Arn-hem een uitgesproken overweging aan het nadelig effect van publiciteit voor verdachte: ‘(…) hij is al veelvuldig publiekelijk aan de schandpaal genageld, waarbij de pers hem voortdurend, al dan niet hin-derlijk, op de hielen heeft gezeten.’  Dit is evenwel een uitzondering. Vaak beperken rechtbanken zich tot een algemene verwijzing naar de impact van publiciteit, de negatieve publiciteit of de daar-door geleden schade.  Wanneer een verdachtes identiteit door de berichtgeving bekend is geworden, bijvoorbeeld door het noemen van zijn naam, dan lijkt dat extra gewicht in de schaal te leggen.

Enige opmerkelijke uitspraken
In het onderzoek is een aantal opvallende uitspraken naar voren gekomen. Ik noem er enkele van. In verreweg de meeste gevallen valt uit de strafmotivering niet op te maken in welke mate publiciteit strafverminderend dan wel strafverzwarend heeft gewerkt. Er kan derhalve niet worden achterhaald of bijvoorbeeld een gevangenisstraf van zes maanden onvoorwaardelijk die een rechtbank normaalge-sproken zou opleggen, met zeg twee maanden wordt gereduceerd vanwege de publiciteit. Dit valt te begrijpen vanuit het oogpunt van het complexe vraagstuk te bepalen welke straffen en/of maatregelen passend en geboden zijn in elke concrete strafzaak. Tegen deze achtergrond valt op de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam waarin de rechtbank de straf met 9 maanden verlaagt en uitkomt op een taakstraf vanwege gebreken in het vooronderzoek, waaronder onjuiste en onzorgvuldige uitlatingen van het openbaar ministerie over verdachte jegens de media.
Soms wordt aangenomen dat publiciteit oorzaak is van imagoschade, hetgeen een argument ople-vert om strafbare feiten tot ernstige feiten te bestempelen en mitsdien een stevige straf op te leggen. Deze redenering wordt in twee strafzaken gehanteerd door de Rechtbank Amsterdam. In beide zaken gaat het om Roemenen die toeristen in Amsterdam (en Rotterdam) bedriegen door zich uit te geven als politieagenten en hen vervolgens te bestelen. Hier heeft de media aandacht aan besteed en dat doet, aldus de rechtbank, afbreuk aan het imago van de Amsterdamse (en Rotterdamse) politie en Amster-dam (en Rotterdam) als toeristensteden.
Ten slotte blijkt publiciteit een reden te zijn voor het afwijzen van vorderingen van de officier van justitie tot toepassing van de bijkomende straf van openbaarmaking van de uitspraak.  Doorenbos heeft er terecht opgewezen dat openbaarmaking van de uitspraak inhoudt het bekend maken van de identiteit van de veroordeelde.  Terwijl media-aandacht meestal niet dat gevolg heeft doordat ver-dachten en veroordeelden niet bij naam en toenaam plegen te worden genoemd.

Waar leidt het voorgaande toe?

De bevindingen van het onderzoek kunnen allerlei vragen oproepen. Als strafrechtjurist beperk ik mij bij dit forum tot het signaleren van een enkel vraagpunt. Ik laat het graag aan anderen te bepalen of dit voor hen een relevant aandachtspunt is.
Veel uitspraken zijn gedaan in strafzaken waarin het verdachten betreft die een bepaalde positie of hoedanigheid hebben. Juist die positie of hoedanigheid maakt dat het feitencomplex dat aan de straf-zaak ten grondslag ligt, de aandacht van de media trekt. Daarbij kan worden verondersteld dat deze media-aandacht is ingegeven vanuit de idee dat de strafbare feiten waarvan iemand wordt verdacht vanwege zijn positie of hoedanigheid als laakbaar wordt beschouwd en wellicht nog afkeurenswaardi-ger dan wanneer een gewoon persoon diezelfde gedraging stelt. Het verwerpelijke van het gedrag draagt kennelijk bij aan de nieuwswaarde en daarmee de media-aandacht. Eenzelfde redenering laat zich denken ter zake van strafzaken waarin zich opmerkelijke  of gruwelijke  feiten hebben voorge-daan. Voorts kan de belangstelling van de media voor een strafzaak zijn ingegeven door de wens een zekere vorm van amusement te bieden.  Mensen zijn gefascineerd door donkere kanten van de samen-leving en afgaande op massamedia als film, televisie en boeken over misdaad spreken de daaraan inhe-rente kanten van bloed, emoties, geld en macht tot de verbeelding.
Tegelijkertijd zorgt die media-aandacht er voor dat het schadelijk effect van de gedraging wordt verspreid. Weliswaar is de externe openbaarheid van het onderzoek ter zitting een in wet en Grondwet verankerd beginsel,  de aanwezigheid van publiek op de publieke tribune draagt niet wezenlijk bij aan het informeren van de samenleving over het afdoen van de strafzaak. Voor realisatie van het adagium ‘justice done and seen to be done’ zijn de media nodig. Door hun berichtgeving via diverse versprei-dingskanalen zullen meer mensen kennis dragen van de gedraging. Hier is openbaarheid overgegaan in publiciteit.  Dat kan doorwerken in de wijze waarop de verdachte wordt bejegend door zijn directe omgeving. Vaak is dat negatief, bijvoorbeeld door verlies van een baan, een relatie die op de klippen loopt etc. En het is juist deze schade voor de verdachte die rechtbanken kunnen bewegen tot het oor-deel dat het strafproces en datgene wat daaraan voorafging de verdachte al genoeg heeft gestraft en er mitsdien aanleiding is de op te leggen straf te mitigeren. Als gezegd, wordt dit dikwijls niet geëxplici-teerd en reppen vonnissen alleen over nadelige effecten van publiciteit.

Dat doet de vraag rijzen of de media-aandacht leidt tot een paradox: media-aandacht om het ver-werpelijke van het gedrag van de verdachte aan de kaak te stellen en dat resulteert vervolgens tot een lagere straf. Maar is dat hetgeen de media beogen? Dat lijkt mij niet. Het roept wel een vervolgvraag op: Dienen de media rekening te houden met dit effect in de strafrechtspleging?
Daar staat tegenover dat genoemde paradox wellicht slechts schijn is. Door de media-aandacht wordt verdachte ter verantwoording geroepen voor zijn gedrag. Dat is ook één van de doelstellingen van het strafproces, te weten het in beginsel openbaar terecht staan en daarmee verantwoording afleg-gen over het gedrag.  Deze rol wordt daarmee overgenomen door de media. Is het dan niet passend dat zulks wordt gecompenseerd in de vorm van een lagere straf? Aldus staan de media ten dienste van de strafrechtspleging. Dit is naar mijn oordeel niet een relatie van ondergeschiktheid: zowel de straf-rechtspleging als de media kunnen worden beschouwd als middelen voor de samenleving om te reage-ren op laakbaar geoordeeld gedrag en aldus te komen tot vergelding, preventie, redres etc.

Amsterdam, 4 oktober 2007

Prof.mr. F.G.H. Kristen