Persprijs kan kwaliteit justitieverslaggeving bevorderen

Door Madeleen Wesseling

De Persprijs Jacques van Veen is ingesteld ‘om de kwaliteit van de journalistiek op het gebied van het recht in het algemeen en de justitieverslaggeving in het bijzonder te bevorderen’. Is een prijs daarvoor voldoende? Of moet ook aan andere voorwaarden worden voldaan? Drie deskundigen met ieder hun eigen invalshoek over de eisen waaraan goede justitieverslaggeving moet voldoen.

Kruisbestuiving

Bert van Delden, voorzitter van de Raad voor de rechtspraak en bestuurslid van de Stichting Persprijs Jacques van Veen:

‘Het bestaan van deze persprijs is één van de manieren waarop iets gedaan kan worden aan de kwaliteit van de rechtbankverslaggeving. Én aan de kwaliteit van de rechtspraak. Tussen pers en rechtspraak zou sprake moeten zijn van een kruisbestuiving. Daarbij mag noch de een, noch de ander een overheersende rol spelen. Journalisten mogen zichzelf niet als de absolute hoeders van een fatsoenlijke rechtspleging beschouwen. Het inzien van dossiers bijvoorbeeld, waar prijswinnares Violet Cotterell ooit voor pleitte, is helemaal niet nodig om op een goede manier over het recht te berichten. Maar journalisten moeten wel in staat gesteld worden de buitenwereld helder en duidelijk uit te leggen wat er omgaat in de hoofden van rechters. En aan dát vereiste zullen rechters, vooral op zitting, dus moeten voldoen. Ze zullen niet alleen in hun hoofd moeten zorgen voor een eerlijke rechtspleging, maar dit ook zichtbaar moeten maken. Wanneer beide partijen – journalist en rechter – inzien dat het belang van de ander ook het belang van jezelf is, met de buitenwereld als grootste gemene deler, dan heb je alle voorwaarden in huis om op een goede manier over het recht te kunnen schrijven.’

‘Overigens was, in de tijd van Jacques van Veen, de door hem geleverde kritiek op de magistratuur veel functioneler dan nu. Tegenwoordig heeft de rechterlijke macht ook allerlei eigen instrumenten om de openheid rond rechtspraak te verbeteren. Een paar voorbeelden: vonnissen worden beter gemotiveerd; er zijn trainingsprogramma’s om te zorgen dat rechters goed communiceren en overkomen naar de maatschappij; en via intervisie kijken we elkaar “op de vingers”. De controle-taak van de pers blijft natuurlijk belangrijk. Ook al lettenwe letten tegenwoordig zelf meer op dan vroeger, iemand als Jacques van Veen wordt node gemist.’

Angsthazen

Gerard Schuijt, emeritus hoogleraar mediarecht aan de Universiteit Leiden en lid van de jury die dit jaar de prijs gaat toekennen:

‘Of een persprijs de kwaliteit van de journalistiek daadwerkelijk verbetert weet je nooit. Een conditio sine qua non zal het wel niet zijn. Dat is ook nooit onderzocht. Maar met de publiciteit rond die persprijs wordt wel weer aandacht gevraagd voor het onderwerp en het belang van een kwalitatief hoogstaande justitiejournalistiek. En de criteria daarvoor zijn wél bekend. Met een goede justitieverslaggeving wordt nauwkeurig, betrouwbaar, genuanceerd én begrijpelijk aan de samenleving verteld wat er in rechtszaken gebeurt en hoe de rechter omgaat met het recht. Journalisten hebben de plicht op die punten te letten. Maar de gerechten zullen de journalisten daarbij moeten helpen. Helaas ontbreekt het daaraan. Zeker wat betreft de faciliteiten voor de audiovisuele pers. De huidige Persrichtlijn Gerechten riekt nog steeds naar censuur. Bij het Openbaar Ministerie is die richtlijn breder geworden. Ruimer. De journalistiek krijgt méér mogelijkheden om haar voorlichtings- en controletaak op een goede manier te vervullen. Maar bij de zittende magistratuur is het – nog – niet zover. Daar geldt ten aanzien van camera’s in de rechtszaal nog steeds het ‘Nee, tenzij …’. Vanuit angsthazerij houden rechters nog steeds teveel de regie van de openbaarheid van rechtspraak in handen. Ten onrechte, want wie onderworpen is aan de openbaarheid moet daar niet de regie over willen voeren.’

Ad informandum: De nieuwe Persrichtlijn Gerechten verschijnt begin 2008. Volgens een woordvoerder van de Raad voor de rechtspraak verandert het adagium voor de toelating van camera’s in de rechtszaal dan van ‘Nee, tenzij …’ in ‘Ja, tenzij …’. Over de invulling van het begrip ‘tenzij …’ wil men nu nog niets zeggen.

Camera’s

Ulco van de Pol, Ombudsman te Amsterdam en voorzitter van de Stichting Persprijs Jacques van Veen:

‘De persprijs bevordert wel degelijk een goede justitieverslaggeving. Om te beginnen stellen hoofdredacties en eindredacteuren het zeer op prijs als hun medewerkers meedoen. En al helemaal als ze genomineerd worden of de prijs krijgen. Dat straalt ook af op het medium. Die “gedeelde” trots zal ervoor zorgen dat men inziet dat justitieverslaggeving té belangrijk is om over te laten aan onervaren verslaggevers, die de spelregels niet beheersen. De basisregels van het straf(proces)recht en civiele recht horen in je bagage wil je in staat zijn om het spel in de justitiewereld te doorzien. Dat vraagt om kundige en ervaren journalisten. Teveel media, echter, zien dat belang niet voldoende in. Maar je laat voetbalwedstrijden toch ook niet verslaan door iemand die daar geen verstand van heeft? In dat kader zou ook bij de opleidingen journalistiek meer aandacht voor justitieverslaggeving moeten komen.
Maar met alléén goede journalisten ben je er nog niet. Ook van de kant van de rechterlijke macht zal geïnvesteerd moeten worden om het journalisten mogelijk te maken hun werk goed te doen. Zeker nu er weer veel media-aandacht is voor het strafrecht, kun je het niet maken met richtlijnen te komen waarbij camera’s in principe niet worden toegelaten bij zittingen. Dat is zelfs in strijd met de wet. De nieuwe richtlijn, waarbij de visuele media die toegang in beginsel wel krijgen, is een mooi begin. Alle media moeten gelijk behandeld worden. De wet eist openbaarheid en levert daar ook de uitzonderingen op. Het is dus niet aan de rechter om de deuren open of dicht te houden. De gronden daarvoor staan in de wet, en nergens anders.’