Toespraak Piet Hein Donner bij uitreiking 2004

Toespraak minister van Justitie Piet Hein Donner bij de uitreiking van de Persprijs Jacques van Veen op 27 september 2004 in het Universiteitstheater te Amsterdam.

Dames en heren,

We zijn hier bijeen voor de uitreiking van de persprijs Jacques van Veen voor rechtbankverslaglegging. Ik zeg het maar even gelijk aan het begin zodat u niet op het puntje van uw stoel hoeft te blijven zitten wachten op de volgende ronde in wat in een bijlage van de NRC de oorlog tussen de politiek en de pers werd genoemd. Ik kwalificeer dat debat anders, maar ook hier geldt wat Cees Buddingh ooit zei: “Wie altijd het laatste woord wil hebben, heeft zelden het verstandigst”. Ontspan u dus en ga rustig achterover zitten, ik zal het kalm aan doen; het gaat om een prijsuitreiking.

Rechtbankverslaglegging is al oud. Cicero plachte de pleidooien waar hij heel in het bijzonder tevreden mee was, achteraf in bewerkte vorm te publiceren. Wie Latijn heeft geleerd kan ze nog dromen: de zaak tegen Sextus Roscius terzake van vadermoord; tegen Verres wegens vergaande corruptie en plundering; tegen Clodius wegens moord en opruiing; tegen Catalina wegens hoogverraad. U ziet dezelfde pakkende onderwerpen die ook nu nog de aandacht trekken. U denkt wellicht: ‘je eigen pleidooien publiceren, nu niet bepaald een schoolvoorbeeld van objectieve journalistiek’. Maar wees eerlijk, is de publicatie van een gehouden pleidooi in een gewonnen zaak niet aanzienlijk objectiever dan wat nu vaak gebeurt: de advocaat die zijn pleidooi lang voor het gehouden is, in de krant laten neerzetten als de objectieve waarheid?

Waarom een prijs voor rechtbankverslaglegging? Prijzen en onderscheidingen zijn bedoeld als erkenning en aanmoediging; erkenning van de gelauwerde en aanmoediging van wie dat nog niet is. Als het goed is werken ze als kwaliteitsimpuls; als stimulans om het niveau van vaardigheden of beroepsuitoefening te verbeteren.

Het is een erkend middel om ontwikkelingen in een gewenste richting te sturen. Of het nu gaat om de opvoeding van kinderen die men prijst om ze zindelijk te krijgen, of het sturen van maatschappelijke ontwikkelingen door Nobel-prijzen, kunstprijzen of de benoeming van de man/vrouw of slager van het jaar. Als men dan, zoals in dit geval, nog een naam geeft aan de prijs, houdt men ook de nagedachtenis aan een goed vakman in ere, als voorbeeld voor de huidige generatie.

Maar juist daarom ook de vraag: waarom een prijs voor rechtbankverslaglegging? En is het wel gepast dat de overheid steun geeft aan die prijs? Probeert zij niet de rechtbankverslaglegging daardoor in een richting te sturen? Is dat wel toelaatbaar gegeven de persvrijheid of wordt de recipiënt een kwalijke collaborateur in de vermeende oorlog tussen pers en politiek?

Belang van goede rechtbankverslaglegging

In de huidige tijd is goede rechtbankverslaglegging niet minder belangrijk dan een goede rechtspleging en het goed functioneren van de rechtstaat zelf. De samenleving draait op vertrouwen, in het bijzonder op vertrouwen in de maatschappelijke instituties. Recht, rechter en rechtspleging vormen belangrijke fundamenten voor dat vertrouwen. Eerste voorwaarde daarbij is uiteraard het betrouwbaar functioneren van de rechter. Maar hoe minder vaak mensen direct in contact komen met de rechtspraak, des te belangrijker is de verslaglegging en de beeldvorming over de rechtspleging voor het scheppen van dat vertrouwen. Want rechters kunnen nog zo hun best doen, als dat niet ook in de weergave van de rechtspleging tot uitdrukking komt, is het irrelevant voor de beeldvorming.

De gemiddelde burger komt bij uitzondering in aanraking met de rechter; hij leest er slechts over en vormt zijn oordeel aan de hand daarvan. Daarom dreigen beelden en ‘horen zeggen’ omtrent de rechtspleging doorgaans langer te blijven hangen, dan de werkelijkheid. Wat vandaag wordt gesuggereerd, is door de herhaling door anderen morgen een feit van algemene bekendheid; iedereen zegt het immers. En ook al zullen weergave en werkelijkheid niet duurzaam haaks op elkaar kunnen staan, dat wil niet zeggen dat werkelijkheid en weergave met elkaar moeten overeenstemmen.

Het is als bij het weer. Vroeger was min vijf gewoon min vijf, maar tegenwoordig heeft de weerman het over een gevoelstemperatuur van min tien ook als de thermometer mogelijk slechts min drie aangeeft. Dat is de chill-factor. Evenzo schept de weergave van de werkelijkheid en het verschil met de feiten een soort chill-factor, een soort gevoelsafstand tussen de feiten en de beelden daaromtrent die bij het publiek leven. Het werkt in beginsel twee kanten op. Een onbevredigende werkelijkheid kan tijdenlang worden verbloemd door de rooskleurige weergave daarvan. Zie ik het goed, dan is dat wat leidde tot de opkomst van Fortuyn. Maar evenzo kan een min of meer bevredigende werkelijkheid door een voortdurend azijngieten als uiterst onbevredigend worden ervaren.

Berichtgeving kan zo een eigen wereld scheppen die in de publieke opinie de echte verdringt. Vandaar het belang van goede rechtbankverslaglegging. Want rechtspleging moet niet alleen goed zijn, zij moet ook als zodanig gezien worden.

Elementen van rechtbankverslaglegging

Sinds Jac van Veen is de verslaglegging drastisch veranderd. Zijn methode van een regelmatige weergave van de stroom van zaken en de verscheidenheid aan personen die voor de rechter verschijnen, is thans onbekend.

De aandacht richt zich thans sterker op afzonderlijke zaken; op misdrijven, personen en processtappen die de aandacht trekken; op misslagen in de procedure of onbegrijpelijke oordelen. Ook op het terrein van de rechtbankverslaglegging verdringen beelden het geschreven verslag; de camera is de rechtszaal binnengedrongen of de rechter rijdt buiten de rechtszaal rond, persrechters en -officieren komen hun handelen toelichten, en er is een leger aan ‘goede stuurlui op de wal’ beschikbaar voor de nieuwsrubrieken.

Is de verslaglegging er bij dat alles beter op geworden? Afgaande op een recent onderzoek van de Raad voor de Rechtspleging is er op zijn minst gesproken niet meer begrip door ontstaan tussen rechterlijke macht en journalisten. De rechterlijke macht voelt zich misbegrepen en onjuist weergegeven; journalisten achten de rechter onbegrijpelijk en de voorlichting ontoegankelijk.

Het gaat evenwel om meer dan wederzijdse onvrede tussen rechter en journalist. Goede verslaglegging over de rechtspleging bestaat niet alleen bij gratie van een accurate verslaglegging, maar niet minder bij een brede toelichting op achtergronden, context en de stroom van de rechtspleging. Voor een juiste perceptie van de rechtspleging is tenslotte ook een debat nodig over uitgangspunten en beginselen.

Op ieder van de drie punten is er een natuurlijke spanning tussen de kenmerken van een goede rechtspleging: regelmaat, continuïteit, zorgvuldigheid en maatvoering en wat ‘aantrekkelijke’ berichtgeving moet bieden: emotie, schril gekleurde verhalen, de uitzondering blootleggen en het normale in opspraak brengen. De onvolledige feiten van een zaak zijn dan al gauw aantrekkelijker, dan het juiste beeld; zo lukt het vaak niet om een vertekend beeld te rectificeren door aanvullende gegevens. Een juist beeld van de rechtspleging vergt bovendien zicht op de stroom zaken en lijnen in de rechtspraak.

Maar op dat punt is het vaak aantrekkelijker om oude, herkenbare beelden te blijven herhalen dan de werkelijke feiten weer te geven. Zo het beeld van de Nederlandse strafrechtelijke aanpak; lage straffen, luxe cellen en eindeloos gedogen, dat niet meer strookt met de werkelijkheid die uit statistieken en de praktijk naar voren komt. Zo ook het beeld van groeiende onveiligheid dat niet strookt met de kentering in de groei van de criminaliteit. Tenslotte vergt een afgewogen beeld van de rechtspleging, een evenwichtig debat over uitgangspunten en beginselen. Dat is meer dan betogen waarin aantasting van fundamentele vrijheden dan wel de dreiging van criminaliteit en terrorisme, als boeman worden gebruikt in plaats van feiten en redelijke argumenten.

Een gevaarlijk gevolg van onzorgvuldige verslaggeving is dat het eerlijk proces in toenemende mate dreigt te worden vervangen door trial by media. De zaak wordt als het ware al in de pers beoordeeld en beslist. Wijkt de rechter daar van af, dan is onbegrip voor overdreven formalisme zijn deel; bevestigt de rechter het media-oordeel, dan moet minstens de Minister aftreden vanwege zijn overmoed om ondanks dit oordeel toch de zaak voort te zetten.

Waarom een goede verslaglegging

Goede rechtbankverslaglegging is kortom niet iets wat vanzelf gaat. Integendeel, het vergt oefening, inzicht en empathie met de waarden van het rechtssysteem. Vandaar dat het te betreuren is dat rechtbank- of justitieverslaglegging al lang geen fulltime bezigheid meer is, zoals uit het eerder genoemd onderzoek van de Raad voor de Rechtspraak blijkt. Empathie met de juridische materie is ook gering. Journalisten vinden de rechtspraak ontoegankelijk en de motivering onbegrijpelijk. Het feit dat een student journalistiek nog steeds weinig meer dan 6 uur juridisch onderwijs krijgt, draagt ook niet bij aan het vereiste inzicht.

Toch gaat het bij een goede verslaglegging om meer dan het belang van een evenwichtig beeld van de rechtsstaat. We leven in een overgangstijd; traditionele oriëntatiepunten voor goed en kwaad, voor spreken of zwijgen, voor doen of berusten, vervagen. De wereld wordt er niet eenvoudiger op. We voelen ons bedreigd, onveilig en economisch onzeker. Vrees en onzekerheid worden aangewakkerd door wat ik de chill-factor in de berichtgeving noemde. Het voedt de angst voor onveiligheid, geweld en verloedering, en ondermijnt het vertrouwen in de instituties die daar een antwoord op moeten bieden. Daardoor dreigen vrees en onzekerheid ons handelen te gaan beheersen en worden tegenstellingen aangescherpt.

Juist in dergelijke tijden bestaat er behoefte aan het houvast van betrouwbare en bestendige kaders en vertrouwen in de (scheids)rechter. Want waar in onzekere tijden dat houvast en vertrouwen verdwijnen, nemen verdraagzaamheid, respect voor verschil, verantwoordelijkheid voor en compassie met de medemens, alsook de bereidheid deze het voordeel van de twijfel te geven, snel af. Dreiging van terrorisme zet dat alleen maar verder onder druk. Dan wordt rechtmatigheid ondergeschikt gemaakt aan doeltreffendheid. Maar als alles aan veiligheid en zekerheid ondergeschikt wordt gemaakt, komt de samenleving in een spiraal van wederzijds wantrouwen, onderling onbegrip en uiteindelijk ook van toenemend geweld. Ook al scheppen we nieuwe en betere zekerheden, het versterkt het gevoel van onzekerheid. En de steeds hogere ‘muren’ en meer ‘wachttorens’ die we bouwen om ons te beschermen, houden meestal in dat we ons meer van de ander afschermen.

Een betrouwbaar beeld van het functioneren van rechtstaat en rechtspleging zijn kortom onontbeerlijk, willen we die ontwikkeling voorkomen. De samenleving is wat dat betreft als een voetbalwedstrijd. Als het gezag van de spelregels en van de scheidsrechter worden ondermijnd, is voetballen onmogelijk; het begint met geweld op het veld en spreekkoren op de tribune, en eindigt met chaos in het stadion, welke nog alleen met geweld kan worden bedwongen.

Een breder gemeenschappelijk vraagstuk

Dames en heren,

De inzet van de discussie is niet gering; het gaat om niet minder dan de kwaliteit van onze samenleving. Waar het gaat om overeenstemming tussen beeldvorming en realiteit heeft de overheid natuurlijk een eerste verantwoordelijkheid. Zij moet zorgen dat de realiteit strookt met het gewenste beeld. Maar vervolgens mag en moet men van de pers verwachten dat zij over die realiteit navenant bericht.

De ontwikkeling op het terrein van de rechtbank- justitieverslaglegging staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van het bredere vraagstuk van de verhouding tussen overheid en moderne media. Het is onvruchtbaar die problematiek te percipiëren als oorlog. Dat leidt er alleen maar toe om de schuld bij de ander te zoeken. De reactie op kritiek bevestigt dan doorgaans slechts vooroordelen die men al had. De ander worden eerst ‘verwerpelijker’ opvattingen toegedicht, die het des te makkelijker maken zijn kritiek te verwerpen. Dan bestrijden we windmolens. Het is mij ook gebeurd met mijn beschouwing over ontwikkelingen die te voorkomen waren, welke wordt gezien als verwijt op de bestaande praktijk.

We hebben geen oorlog, we hebben alleen een gemeenschappelijk vraagstuk. En Nederland niet alleen. Het Hutton-rapport in het Verenigd Koninkrijk richt zich in wezen op dezelfde problematiek. Het is een algemeen vraagstuk, te weten: hoe voorkomen we dat in de wisselwerking tussen politiek en media de instituties die wezenlijk zijn voor het functioneren van de democratie en de rechtstaat niet voortdurend verzwakt worden en ik reken daar zowel de overheid als de persvrijheid toe.

Maar let wel, ik stel met nadruk dat politiek en pers een gemeenschappelijk probleem hebben. Ik misken niet dat politici maar al te vaak gebruik maken van de mogelijkheden van de pers, waar ze later over klagen.

Ieder zal op eigen kracht zijn huis op orde moeten brengen. Pers en media kunnen daarvoor niet verwijtend naar de politiek wijzen, want daarmee erkennen ze of dat ze zich bewust laten misbruiken of dat ze afhankelijk zijn van de politiek.

Nu besef ik dat, al had ik ook de welsprekendheid van engelen, er altijd mensen zullen zijn die ik toch meer zou behagen door naar hen te luisteren, dan door het woord te voeren. Toch heb ik er alle vertrouwen in dat men zich ook in de wereld van de pers en media zorgen maakt over de ontwikkelingen die ik schetste.

De Nederlandse pers is niet alleen gevoelig voor kritiek, zij is ook in staat tot zelfkritiek. Ik lees daarvan een bevestiging in de opmerkingen die uit de mond van enkele hoofdredacteuren werden opgetekend in het maandblad M, van NRC.

Nu moet ik oppassen dat ik niet te lovend word. Want, zoals de Polen zeggen: ‘lofprijzingen en kool smaken goed, maar je zwelt er wel van op en je wordt er winderig van’. Het is nog vroeg; er moet nog veel gedaan worden.

Dat neemt niet weg dat we hier bijeen zijn voor een welverdiende lofprijzing aan een van de leden van de pers, met de uitreiking van de Persprijs Jac van Veen, opdat de goede rechtbank- en justitieverslaglegging wordt bevorderd in ons aller belang.