Willen de laatste rechtbankverslaggevers het licht aanlaten? 2010

Toespraak door Harm Brouwer, voorzitter van het College van procureurs-generaal, ter gelegenheid van de uitreiking van de Persprijs Jacques van Veen 2010.

Dames, en heren, 
Het is mij een eer u te mogen toespreken en dan in het bijzonder de genomineerden voor de persprijs Jacques van  Veen 2010 onder u.
Het programma beloofde de minister van (wat toen nog heette) Justitie. U zult het echter met mij moet te stellen. Hopelijk is de schok niet te groot voor u.

Malcolm Muggeridge, ooit hoofdredacteur van het Engelse satirische blad Punch, beschreef de relatie tussen de overheid en de journalistiek als volgt:
‘Journalists follow authority like sharks follow a liner, feeding on the scraps that are thrown overboard. But every once in a while the whole ship goes down – and they have a feast!’

Naar ik aanneem is de zaal vandaag voor een niet onbelangrijk deel gevuld met journalisten. Ik ben dus heel benieuwd hoe groot uw honger is. Bent u tevreden met wat ik u kom vertellen of word ik zelf straks opgediend als hoofddis?

uitreiking_jury

Hoe dan ook, het beeld, dat Muggeridge oproept is wel gevat, maar voor zover toegepast op de strafrechtspleging, doet het geen recht aan de complexe verhouding tussen de media en de verschillende bij die strafrechtspleging betrokken organisaties. Om te beginnen ontbreken de advocaten. Die varen in blinkende speedboten om het strafrechtschip heen, terwijl ze proberen met hun hekgolven het schip te doen schommelen. En natuurlijk zijn de restjes, die de advocaten overboord gooien, veel smakelijker dan alles wat de overheidskombuis kan bieden. 

Een  belangrijker reden echter , waarom dat beeld van het schip en de haaien niet opgaat, is dat het veel te simpel is. De burger speelt tegenwoordig immers ook nadrukkelijk een rol bij de berichtgeving over strafzaken, naast die van de vertrouwde strafrechtprofessionals. Passief, als geïnteresseerde of betrokken mediaconsument, maar steeds vaker ook actief. Twee ontwikkelingen zijn daarvoor mijns inziens bepalend geweest: medialisering en horizontalisering. In deze bijdrage zou ik, gelet op die ontwikkelingen, aandacht willen schenken aan drie hoofdrolspelers bij de verslaggeving over de strafrechtspleging: het OM, de rechters en natuurlijk de verslaggevers zelf. Wat betekenen de medialisering en horizontalisering voor die drie beroepsgroepen?  De advocatuur laat ik hier buiten bespreking. Vanwege de tijd, niet omdat ik zou vinden, dat de advocaten al genoeg aandacht krijgen. 

Medialisering en horizontalisering. Voor een omschrijving van het eerste begrip zou ik te rade kunnen gaan bij een van de genomineerden van vandaag, Gerben Kor. Hij is immers, zoals de Amerikanen zouden zeggen, ‘the man who wrote the book’. Maar omdat hij zelf schrijft dat zijn hele boek eigenlijk een poging is om uit te leggen wat medialisering is, houd ik het bij de volgende, aanmerkelijk kortere definitie: medialisering is het proces waarbij media alom tegenwoordig zijn en ook met elkaar verknoopt raken. Degenen onder u die voor de media werken, hoef ik natuurlijk niet uit te leggen hoe alomtegenwoordig en verknoopt u wel niet bent. Maar voor alle anderen zou ik het volgende willen opmerken: 

Het is bekend dat onze maatschappij in verbluffend korte tijd in de greep is geraakt van de media. Nieuws is tegenwoordig vierentwintig uur beschikbaar. Het wordt met een adembenemende snelheid rondgepompt. De politiek wordt in toenemende mate op de televisie en op het internet bedreven. Het parlement lijkt soms wel een forum, dat primair gericht is op wat men via de media heeft vernomen. En te midden van deze ontwikkeling groeit de aandacht voor het strafrecht exponentieel. Cameraploegen staan voor de rechtbank, er zijn voorbeschouwingen, tussenbeschouwingen en nabeschouwingen over belangrijke strafzaken, en verdachten zitten zonder gêne in een praatprogramma, al dan niet vergezeld van hun advocaat. De eeuw is nog maar pas begonnen en we hebben al verschillende ‘processen van de eeuw’ achter de rug. 

De brandstof voor de moderne media zijn korte, eenvoudige verhalen met een duidelijke boodschap, met emotie en liefst ook met een link naar iemand die bekend is, is het niet de verdachte of diens slachtoffer, dan op zijn minst de advocaat. Daarbij beperkt deze medialisering zich niet tot de traditionele media: krant, televisie en radio, al dan niet via het internet aangeboden. De burgers zijn zelf ook mediaproducenten geworden. Door tussenkomst van de vertrouwde media, via reacties op artikelen of straatinterviews, maar steeds vaker ook zelfstandig via advertenties, weblogs, YouTube, Twitter en andere moderne kanalen om elkaar – maar ook de journalistiek te bereiken. Het is misschien niet altijd even relevant, genuanceerd of professioneel wat die burgers doen, maar daarom gaat het niet. 

Vrijwel iedereen is op de een of andere manier deel van het uitdijende netwerk dat ‘media’ heet. Ja zelfs het OM is nu een medium geworden, met een directe informatielijn naar geïnteresseerde burgers via kranten, filmpjes, RSS-feeds en alles wat daar tegenwoordig bij komt kijken.

Voor de jongere generatie zijn de media welhaast onderdeel van de eigen stofwisseling geworden. De University of Maryland heeft laatst een onderzoek gedaan naar het gebruik van sociale media door de eigen studenten. Hun werd gevraagd een dag lang offline en telefonisch onbereikbaar te zijn. De resultaten waren veelzeggend. Een studente werd radeloos, omdat ze niet kon volgen hoe het stond met de aardbeving in Chili, velen hadden ontwenningsverschijnselen en een aantal leed aan een high tech-variant van de fantoompijn, de fantoomtrilling. Ze voelden hun smartphone trillen, ook al hadden ze het ding niet bij zich.

Gelijk met de medialisering doet zich een proces van horizontalisering voor. Dat speelde al langer, maar heeft door de medialisering extra momentum gekregen. 
Ik citeer de Raad voor het Openbaar Bestuur: “Mensen, maatschappelijke organisaties en bedrijven zijn zich in de horizontale netwerksamenleving als nevengeschikt tot elkaar gaan verhouden. De verticale instituties kunnen niet meer hun noodzakelijke rol vervullen als zij zijn losgeweekt van de samenleving die zij juist trachten bij te sturen.”

Die horizontalisering werkt dóór op alle niveaus, in ouder-kind relaties, op scholen, op de werkplek, in de beleving van de politiek, tussen katholieken en hun bisschop, bij de huisarts, in het contact met de tramcontroleurs en natuurlijk ook in het strafrecht, wat in essentie en traditie een zeer verticaal domein is. 

De burger staat door de  medialisering  met de neus op de strafrechtspleging en door de horizontalisering voelt hij zich vrij – en soms zelfs geroepen – om luid op het raam te kloppen als hem niet bevalt wat hij ziet. En als hij het niet doet, doen de media het voor hem.

De samenleving verandert dus. Samenleving en de instituten van het recht staan als het goed is met elkaar in verbinding. Dus als de samenleving medialiseert en het strafrecht in het bijzonder, zul je als OM daarin moeten meegaan. Dat is onontkoombaar. Als je de deur dicht blijft houden, vervreemd je je van de omgeving en gaan anderen je identiteit invullen. Maar tegelijkertijd kunnen wij niet ongelimiteerd meebuigen met de medialiseringstrend. Het OM mag immers niet zonder meer aan de hand van de publieke opinie meelopen en evenmin aan de hand van de media. Het moet zelfstandige afwegingen maken op basis van het recht en 
Ondertussen, moet het OM ook die zware zaken oppakken, die niet op voorhand een succesvolle vervolging garanderen. Als wij het niet doen, doet niemand het immers. De beslissingen die het OM in de strafrechtelijke onderzoeken en de vervolging neemt zijn vaak moeilijk. De tijd en de informatie is beperkt of er staat onvoldoende vast hoe een en ander juridisch gewaardeerd zal worden. Ondertussen zijn de belangen die op het spel staan groot,  of het nu gaat om de reputatie van een bedrijf dat verdacht wordt of om een slachtoffer dat zich onveilig voelt. En dan moeten wij ook nog naar maximale openheid streven om ons doel te bereiken. Strafrechtelijke handhaving werkt immers alleen, wanneer ze zichtbaar en begrijpelijk is. 

Om al die uitgangspunten op verantwoorde wijze met elkaar in evenwicht te laten zijn, dat vergt al een grote mate van acrobatisch vermogen, maar in een gemedialiseerde samenleving is dat nog een paar dimensies ingewikkelder. Dan wordt het succesvol draaien van een grote strafzaak, zoiets als dansen over een met groene zeep ingesmeerd koord.  Best te doen, maar de toeschouwers moeten niet met tomaten beginnen te gooien.
En juist dat publiek is de laatste jaren zeer nadrukkelijk aanwezig bij grote strafzaken. Ik bedoel niet de mensen op de publieke tribune, maar het geheel van publicitair rumoer, dat iedere strafzaak van enige importantie met zich meebrengt. De berichtgeving, de tweets, de Kamervragen, de advocaten die de zaak van hun cliënt buiten de rechtszaal, het liefst in prime time bepleiten, de wetenschappers en quasi-wetenschappers, die ook een mening hebben, de polls op het internet enzovoorts. Het OM wordt continu de maat genomen. Van ons wordt verwacht dat wij ons steeds weer legitimeren, niet alleen tegenover de direct betrokkenen, maar ook tegenover de samenleving als geheel. Is dat  erg? Helemaal niet. Sterker nog, het is wezenlijk dat een orgaan met zulke verstrekkende bevoegdheden en zoveel beleidsvrijheid als het OM ook buiten de formele rechterlijke en politieke toetsing verantwoording aflegt over zijn beslissingen. 
Wij maken wel eens fouten, soms zelfs ernstige fouten en die moeten aan het licht komen en gecorrigeerd worden.
Wel zal  het OM zich steeds verweren, wanneer het ten onrechte onzorgvuldigheid of erger verweten wordt, ook dat hoort bij onze publieke taak. Niet dat we het ons persoonlijk aantrekken, hoewel, wat is daar eigenlijk verkeerd aan?

Een bron van directe zorg is wel, dat het in de gemedialiseerde samenleving steeds moeilijker zal worden om überhaupt voor het voetlicht te krijgen wat er in een strafzaak aan de hand is. 
Er is nog altijd  veel verschil tussen de uitspraak van een advocaat in een praatprogramma dat hij een bepaald verweer zal voeren, het daadwerkelijke op de zitting gevoerde verweer en het eindoordeel van de rechter over het verweer. In de mediasamenleving bestaat het gevaar dat dit essentiële verschil, dat ik ook niet als ‘nuance’ zou willen aanduiden, geheel wegvalt of dat hetgeen de advocaat heeft gesteld net zoveel waarde krijgt als de verwerping ervan door de rechter. Hier ligt volgens mij dan ook de sleutel voor de goede rechtbankverslaggeving: het duidelijk maken wat in de rechtspleging belangrijk is en waarom dat belangrijk is, opdat burgers in staat worden gesteld zich een mening over die rechtspleging te vormen. Het gaat ons er niet om de populariteitsprijs te winnen. De burger mag het best grondig met ons oneens zijn. Wij hoeven niet permanent sympathiek, doortastend of scherpzinnig gevonden worden: het gaat erom dat die burger begrijpt waarom het OM doet wat het doet. En daarvoor is goede rechtbankverslaggeving, zeker bij het ontbreken van voorzieningen die het OM op dit punt zelf dient te hebben, vooralsnog onmisbaar. Nu  ontstaat al te gemakkelijk de indruk, dat de strafrechtspleging één groot foutenfestival is. Als dit alleen maar een tijdelijke imagokwestie was, dan gaat dat nog wel. Maar het OM  moet het voortdurend van zijn gezag hebben. 

Om in de toekomst in voldoende mate over dat gezag te kunnen beschikken, zal het OM volgens mij veel meer moeten gaan investeren in de wisselwerking met de burger. Tot nog toe heb ik de gemedialiseerde samenleving gepresenteerd als een netwerk dat maakt dat de burger razendsnel en ook zonder tussenkomst van de gevestigde media zijn mening kenbaar kan maken bij het OM. Maar een netwerk is per definitie geen eenrichtingsstraat. Ook het OM kan dat zelfde netwerk gebruiken om die burger te bereiken. Te veel nog richten wij ons op dit moment met onze informatievoorziening op de traditionele media en te weinig op een rechtstreekse benadering van de burger. 

Een belangrijke uitdaging voor de komende jaren is dan ook om wegen te vinden gebruik te maken van het potentieel aan relevante informatie en opvattingen dat de samenleving te bieden heeft bij onze beleidsvorming en onze taakuitoefening. Maar bij dat proces van consultatie en participatie moeten de evenwichtigheid en zorgvuldigheid die bij het strafrecht horen, wel overeind blijven. Wat dat betreft is de maatschappij voor ons een groot olieveld. In potentie buitengewoon waardevol, maar het OM moet de boor er wel op zo’n manier insteken dat het zwarte goud ons niet om de oren vliegt.

Dat voorlopig voor wat het OM betreft.
De tweede belangrijke groep, die een rol speelt in de rechtbankverslaggeving,  de rechters, hebben lang in de luwte kunnen leven. De donder en bliksem van de maatschappelijke onvrede over de strafrechtspleging richtte zich vooral op de politie en het OM. Die tijden zijn definitief voorbij. Het gezag komt de rechtsprekende macht heden ten dage niet meer vanzelf aanwaaien, om het met enig gevoel voor understatement te formuleren.

Oud-rechter van Bennekom voelde zich in een recent interview met NRC-Handelsblad naar aanleiding van zijn boek Drijfijs zelfs geroepen uit te leggen dat rechters ook maar mensen zijn, die gewoon hun kinderen op de fiets naar school brengen. Misschien is die uitleg geen overbodige luxe. In zijn boek concludeert Gerben Kor, dat er geen kloof is tussen rechterlijke macht en samenleving – tot zover goed nieuws – maar een regel verder schrijft Kor dat hij dat oordeel baseert op gesprekken met rechters en met mensen. Dus die rechters zijn blijkbaar toch een soort aliens?
Ik heb bij een eerdere gelegenheid de rechtspraak overdrijvend met een Asterix-dorp vergeleken. Een klein en puur stukje overheid, dat niet is veroverd door de Romeinen (lees de gemedialiseerde samenleving). Men wist stand te houden, omdat men een toverdrank bezat, noem hem ‘onafhankelijkheid’, ‘zorgvuldigheid’ of ‘magistratelijkheid’. Die toverdrank is echter uitgewerkt en maakt geen indruk meer op de Romeinen. Ze omsingelen het dorp en eisen, dat de Rechtspraak mee doet met de rest van de samenleving. De gemedialiseerde samenleving is  niet onder de indruk van het bijzondere cultuurgoed dat de rechters koesteren. Integendeel, veel van de professionele kenmerken van de rechtspraak worden door de buitenwacht als minpunten gezien.  
Ik roep in herinnering wat George Bernard Shaw een arts in een van zijn toneelstukken liet zeggen: 
All professions are conspiracies against the laity. In populair Nederlands vertaald: alle professionele beroepsgroepen zijn samenzweringen tegen de gewone man.
Om die gedachte te logenstraffen, zal de rechtspraak meer openheid aan de dag moeten leggen. Er is al het nodige gaande op dat gebied, maar het is denk ik niet genoeg. Het gaat niet alleen om de techniek van het communiceren met de burgers, het systeem als zodanig moet ook voldoende verbinding hebben met de sameneleving.

Enkele jaren geleden kwam in de media en de politiek de geest van de lekenrechtspraak weer eens uit de fles. Die geest werd vervolgens kordaat teruggeduwd, doordat de toenmalige minister van Justitie een aantal wetenschappelijke onderzoeken liet uitvoeren en  mede op basis van de uitkomsten daarvan – de Kamer liet weten, dat ‘invoering van lekenrechtspraak geen oplossing is voor bestaande problemen en wensen ten aanzien van de rechtspraak’. Ondertussen werd binnen de Rechtspraak bij wijze van grafrede nog een symposium over de lekenrechtspraak georganiseerd, waarna het thema kon worden begraven. Grondig werk, een hitman had het niet beter kunnen doen.
Toch blijft de vraag boven de markt hangen, zonder dat ik hem nu direct zelf kan beantwoorden. Dat uit onderzoek niet zou blijken, dat het vertrouwen van burgers in de rechtspraak groter is in landen met enige vorm van lekenrechtspraak, dan in Nederland, kan mij niet overtuigen. Veel interessanter lijkt mij de reactie van Duitse of Deense burgers op de vraag of zij zouden willen dat hun lekenrechtspraak wordt afgeschaft ten faveure van geheel uit professionele rechters bestaande gerechten.  Die vraag komt in de rapporten echter niet aan de orde. Ik vraag me dan ook af of de discussie over de lekenrechtspraak niet te snel is afgesloten in een kleine kring van deskundigen? 

Folkert Jensma, vandaag genomineerd voor zijn artikelen en weblog voor NRC handelsblad, mag graag zijn zweepje uit het foedraal ritsen om de rechters nog eens te kastijden en overigens blijft het OM daarbij ook niet buiten schot. Onlangs gaf Jensma in Trema, het blad voor de rechterlijke macht, een aantal adviezen: “U zit in een mediaomgeving, waarin duiding en samenvatten koning zijn. Wie de zaak het meest helder en beknopt kan samenvatten en er het juiste woord of begrip voor heeft, heeft de slag gewonnen. De belangrijkste portefeuille in het rechtbankbestuur is voortaan communicatie en dat u daaronder ook ‘vertrouwen in de burger verstaat.’ U moet investeren in uitleg. In duiding, In snelheid. In contact met de burger.” Dat ben ik allemaal met Jensma eens, maar ik zou er aan willen toevoegen: blijf je werk ook inhoudelijk goed doen. Communicatie is geen doel op zichzelf.

Jensma is onlangs op zijn wenken bediend. De Hoge Raad zit ook op Twitter. Het is heel gemakkelijk voor juristen om daar lacherig over te doen. Neem nu het Zwolsman-arrest, belangrijke jurisprudentie over de rechtmatigheid van de opsporing en de sancties op vormverzuimen. Om dat arrest in zijn geheel via Twitter te verspreiden zou men ruim 2300 tweets nodig hebben. 
Maar het kan wel, cassatierechtspraak via Twitter. Neem het bericht ‘Beschuldigingen Maurice de Hond Deventer moordzaak onrechtmatig ’ . men hoeft geen Bas Haan te zijn om te begrijpen waar het over gaat en wie meer wil weten klikt eenvoudig de link naar het arrest aan. De Hoge Raad op Twitter. Het heeft iets van verlaat hip doen, zoals de podcast van Donner, maar het zou ook wel eens een revolutionaire eerste stap kunnen zijn in een ontwikkeling die de rechtspraak openbreekt voor de gemedialiseerde samenleving.

In zijn boek Flat Earth News over de staat van de journalistiek, oppert Nick Davies, dat de kans, dat een rechter bij een van de 59 lagere gerechten in Londen ooit een rechtbankverslaggever ziet, net zo groot is als, dat er een zebra door het gerechtsgebouw wandelt. Dat voorbeeld zegt misschien meer over Engelse humor, dan over de kwaliteit van de rechtbankverslaggeving. Maar ondertussen staat die kwaliteit wel degelijk onder druk, volgens mij ook in Nederland. Voor alle duidelijkheid, er wordt nog steeds uitstekend over zittingen geschreven . Ik noem bij wijze van voorbeeld het genomineerde weblog van Rob Zijlstra. In zijn log van 19 oktober 2010 met de titel ‘Boer stalkt vrouw’ beschrijft hij hoe een Groningse boer weigert zich ter zitting door een raadsman te laten bijstaan. De rechtbank oefent druk op hem uit, omdat TBS op het spel staat. Juridisch gaat het dan om recente jurisprudentie van de Hoge Raad.  Maar Zijlstra vertaalt deze hogere rechtspraak naar de menselijke maat  met humor, emoties en rechters die toch ook mensen blijken te zijn. Het kan dus wel, maar, zoals gezegd, de goede rechtbankverslaggeving staat onder druk.

De verklaringen daarvoor zijn snel gevonden. Door geldgebrek krimpen redacties in, of moeten redacteuren meer taken combineren. De vraag naar artikelen of producties waarvoor specialistische kennis nodig is neemt af. De journalist als tussenpersoon is minder nodig nu bronnen hun materiaal zélf toegankelijk maken en soms ook nog op een manier, die voor de burger direct begrijpelijk is. Ook  de vraag naar exclusief materiaal neemt af, redactiewerk is bijsnijden van wat elders wordt aangeleverd. Als duider moet de journalistiek redacteur concurreren met talloze minder professionelen die hetzelfde doen maar dan onbetaald. enzovoorts, enzovoorts.

De gevolgen van deze, elkaar ten dele versterkende ontwikkelingen, zijn funest voor de kwaliteit van de journalistiek en schadelijk voor de kwaliteit van de strafrechtspleging.

Ik kom tot een afronding
Gezag is niet meer vanzelfsprekend, voor de rechtspraak, voor het openbaar ministerie en ook niet voor de journalistiek. Ik zeg vaak tegen mijn mensen: ga dan ook niet op dat gezag zitten wachten Die tijd is definitief voorbij en prijs je daarmee overigens gelukkig. Je moet continu werken aan je professionele gezag, je voortdurend legitimeren in je werk en je moet je ervan bewust zijn hoe je overkomt. Dat maakt deze tijd eerlijk gezegd ook zo boeiend, revolutionair bijna. De gevestigde orde schudt op zijn grondvesten. De professionals in het strafproces worden gedwongen zich te bezinnen op hun rol en betekenis. Zij moeten op zoek naar een nieuw verantwoord evenwicht om tegemoet te komen aan de eisen die de veranderende samenleving stelt.
Dat gaat vaak schoksgewijs, voortkomend uit al dan niet vermeende incidenten. Tegelijkertijd vinden de burgers wel, en dat is op zich geruststellend, dat de instituten van het recht moeten blijven bestaan, omdat ze pijlers zijn van de constitutionele democratie. Verbeelding en werkelijkheid vechten bij zo’n breukvlak in maatschappelijke verhoudingen om het primaat. 
En juist daar ligt een belangrijke opgave voor de journalistiek, inclusief  de rechtbankjournalistiek en andere vormen van justitiële verslaggeving, als die inderdaad een serieuze bijdrage wil leveren aan de meningsvorming in onze democratische rechtsstaat. Ik sluit dan ook af met de volgende oproep: willen de laatste rechtbankverslaggevers het licht alsjeblieft aanlaten en er liefst nog een paar heldere peertjes bij plaatsen? De strafrechtspleging zou er wel bij varen.